
Mari Sanders: ‘Met Stand Up hebben we hopelijk een blauwdruk voor toegankelijkheid gemaakt’
Stand Up is in première gegaan op Tribeca. Hoe was het?
‘Ik was enorm blij, opgelucht ook. Wat een ervaring! New York is zo overweldigend, en met je debuutfilm meteen een wereldpremière op een prestigieus festival als Tribeca, dat op onafhankelijke makers is gericht, dan weet je dat je in ieder geval iets gemaakt hebt dat opvalt. Ik was ook nog eens verrast dat er maar 12 films in de internationale competitie zaten. Dan denk je: wow. We hebben daar een geweldige tijd gehad, en we kregen prachtige reacties op de manier hoe we met een thema als handicap zijn omgegaan. De reacties en recensies benadrukten hoe doorleefd de film voelde. Heel eervol om dit mee te mogen maken.’
Zijn er voor die Tribeca-selectie, tijdens het maken van Stand Up nog meer van die momenten geweest waarop je dacht: hier slaan mensen op aan?
‘Er zijn veel partijen aangehaakt die iets in het onderwerp en het script zagen. Daarom heb ik uiteindelijk mijn debuutfilm met een budget van 3 miljoen mogen maken, dat is fantastisch. Ook omdat het iets is dat nog niet veel vaker gedaan is: Stand Up is een verhaal over een handicap, verteld vanuit het perspectief van mensen met een handicap. Wanneer je als maker zelf een handicap hebt, en de acteurs ook, leg je toch andere accenten.’
Wat is de invloed daarvan op Stand Up?
‘Ik denk dat mijn perspectief, en dat van de acteurs, de film hebben verrijkt. Ik zeg niet dat je als maker zonder handicap niet dit soort verhalen mag vertellen, maar ik vind dat het al te lang uitsluitend op die manier gebeurt - de interpretatie van een outsider die naar binnen kijkt. Op het moment dat je als maker zelf een beperking hebt, dan ben je bekend met de details, met de rouwprocessen en de pijn. Daarnaast hoor ik vaak hoe mensen met een handicap zich ergeren aan films over het onderwerp die door makers zonder beperking zijn gemaakt. Die zetten vaak het drama van de handicap centraal. Iemand verliest bijvoorbeeld een been in een verkeersongeluk, en gaat op zoek naar de chauffeur.’
"Ik zeg niet dat je als maker zonder handicap niet dit soort verhalen mag vertellen, maar ik vind dat het al te lang uitsluitend op die manier gebeurt - de interpretatie van een outsider die naar binnen kijkt."
Mari Sanders
Hoe heb je ervoor gezorgd dat het hebben van een handicap wel het onderwerp is van Stand Up, maar niet de bron van al het drama?
‘Het speelt natuurlijk wel mee: Vera verliest haar been en moet door een rouwproces rond haar eigen nieuwe lichaam. Dat speelt dus een rol, maar de accenten liggen veel dieper. Ze is een jonge vrouw die altijd al moeite met het leven had, en sowieso moeilijk kon landen. Op een gekke manier helpt die handicap om haar leven wat meer richting te geven. Stand Up gaat dus meer over het sociale effect van het leven met een handicap, over hoe de samenleving anders naar je kijkt. Ik zit zelf al heel mijn leven in een rolstoel, maar iemand die net een handicap heeft merkt die verandering van de ene op de andere dag. Mensen gebruiken je ineens als een soort spiegel voor hun eigen ellende. Dat wordt vaak als verwarrender ervaren dan de handicap zelf. Daar heb ik het verhaal op gebaseerd.’
In de film maakt Vera kennis met Xander, die al heel zijn leven in een rolstoel zit. Hoe werkt die dynamiek?
‘Ik vond dat altijd al een heel interessant dialoog: er is een enorm verschil tussen mensen die al heel hun leven lang een handicap hebben, en mensen die er plots een krijgen. Dat zorgt voor compleet andere verwerkingsstrategieën. Mensen die geboren zijn met een handicap rouwen om het feit dat ze anders zijn, dat gaat heel erg sluimerend. De andere groep krijgt van de ene op de andere dag te maken met die nieuwe situatie. In de film zorgt dat ervoor dat Vera en Xander niet met en niet zonder elkaar kunnen. Hij komt op haar over als iemand die aan alle kanten schreeuwt “ik heb een handicap en daar heb ik helemaal geen moeite mee”, maar hij blijkt achteraf net zo hard iets te verwerken te hebben.’
Je werkte in Stand Up met acteurs die zelf ook een beperking hebben. Hoe verliep de casting?
‘Ik was op zoek naar authenticiteit, en dus wilde ik samenwerken met acteurs die echt begrepen waar dit verhaal over ging. We hebben eerst samen met onze castingdirector een hele algemene oproep gedaan, zoiets als: ben je rond de 20 en heb je een handicap, meld je aan. Ervaring is een pré, maar niet noodzakelijk. Die oproep hebben we verspreid via de gebruikelijke kanalen waar acteurs op reageren, en we kregen nul reacties. Toen ik de oproep verspreidde op mijn eigen social media, en bij organisaties voor mensen met een handicap, hadden we in een weekend 80 aanmeldingen. Er staat dus een enorme muur tussen talent met een beperking en de industrie.’

Wat waren de volgende stappen?
‘Ik voelde een enorme verantwoordelijkheid om iets te doen. Ik zag enorm veel talent, mensen met hele grote dromen, dus ik wilde iets anders doen dan een gewone casting. Toen is het idee ontstaan om twee weekenden met tien opvallende talenten te organiseren. Daar zagen we mensen eerst onzeker binnenkomen, maar er ontstonden al snel vriendschappen. En ze improviseerden scènes die ik nog nooit in films heb gezien. Dat is een van de meest bijzondere momenten geweest die ik heb meegemaakt: ik zag voor mijn neus een emancipatiegolf ontstaan. Uiteindelijk heb ik het scenario helemaal omgegooid. Xander kreeg een uitgebreide vriendengroep om die geïmproviseerde scènes een plek te geven, en ik heb de hoofdrollen op het lijf geschreven van Lucia (Zemene) en Daan (Buringa). Omdat we elkaar alle drie zo goed begrepen, heeft dat de film naar een veel hoger plan getild. Het zijn allereerst fantastische acteurs, maar omdat we allemaal een beperking hebben, konden we meteen de diepte in.’
Wat is er nodig om te zorgen dat die verhalen verteld kunnen worden?
‘Er is talent met een beperking, maar de sector moet ze weten te vinden. Daarnaast moeten we ook investeren in die talenten: ze opleiden, trainen, zorgen dat ze sterk in hun schoenen staan. Daarnaast denk ik dat bewustwording een belangrijke rol speelt. Ik hoop dat succesvolle films als Joe Speedboot, en Stand Up hopelijk ook, laten zien wat er gebeurt als je mensen met een handicap daadwerkelijk bij het verhaal betrekt. Ik denk ook dat we moeten erkennen dat mensen met een beperking decennialang zijn achtergesteld in de filmindustrie. De representatie is gewoon nog niet op orde, terwijl er 2,7 miljoen Nederlanders leven met een beperking.’
Zijn er andere landen waar Nederland op dit gebied een voorbeeld aan kan nemen?
‘Je gaat al gauw naar de Angelsaksische wereld. In het Verenigd Koninkrijk werken ze nu met “acces coordinators”. Je kan iemand inhuren die ervoor zorgt dat je set toegankelijk is, en dat je daar aan het werk kan. Ik hoop dat dat in Nederland ook gebeurt. Tijdens het maken van Stand Up liepen we ook tegen praktische problemen aan. Zo zijn er heel weinig rolstoel-wc’s in Nederland. Op het moment dat wij buiten aan het draaien waren, moest ik vaak tien minuten met de auto rijden om bij de dichtstbijzijnde rolstoel-wc te komen. Het kwam er dus op neer dat dat mijn pauze was, naar de wc gaan. Dan merk je dat we in Nederland nog niet goed weten hoe we onze set toegankelijk kunnen maken. Ik ben blij dat we Stand Up hebben kunnen maken, omdat we daarmee ook een soort blauwdruk hebben. 100% toegankelijkheid is een utopie, maar ik denk dat we met het maken van Stand Up enorme stappen hebben kunnen zetten.’
Foto: Sanne van den Elzen




