
Barbara Visser in het Van Doesburghuis: 'Ter plekke ging het vuurtje weer branden'
Wat was de reden om je bij het Filmfonds aan te melden voor deze residency?
Er waren meerdere redenen: mijn kritische liefde voor het modernisme, de Parijse archieven die ik wilde bezoeken voor mijn volgende project, maar de wonderlijkste is wel dat het mijn tienerdroom was in de jaren ‘80. Toen al reageerde ik op een advertentie in de krant waar het Van Doesburghuis als residency werd aangekondigd. Op school verveelde ik me stierlijk, en ik was destijds ervan overtuigd dat ik fotograaf zou worden. En schrijver Céline woonde er, die had iets in me geraakt met zijn woedende schrijfsels. Destijds kreeg ik een sympathieke reactie terug, heel aardig. Dat ik het zeker later nog eens moest proberen, als ik wat verder in mijn ontwikkeling was.
Om dat te doen ging ik naar de Rietveld Academie in Amsterdam, waar ik me steeds meer op bewegend beeld ging richten. Eenmaal afgestudeerd nam het leven zijn loop: altijd druk; een gezin, andere prioriteiten. Met de oproep van het Filmfonds viel alles op z’n plek. Ook omdat ik een jaar eerder door Petra Noordkamp was uitgenodigd voor haar tentoonstelling Les jours intimes in het Van Doesburghuis waarmee ze haar residency afsloot. Ter plekke ging het vuurtje weer branden.
Wat waren je verwachtingen en zijn die uitgekomen?
Vooraf romantiseerde ik het idee om me volledig af te kunnen zonderen wel een beetje. Maar ik ken mezelf goed genoeg om te weten dat ik de dynamiek van een afwisselend werkritme ook nodig heb. Ik heb trouwens wel heel veel gelezen en ook geschreven, ik kon me goed concentreren in het atelier. Ik bleef ook veel meer in Meudon dan ik van tevoren dacht. Het is zo’n fijne omgeving aan de rand van de stad, met vlakbij een prachtig bos. Ik voelde de behoefte om het huis beter te leren kennen en keerde daardoor zelf ook wat naar binnen. Het gaf rust, om onderzoek te doen in meerdere richtingen zonder bang te zijn dat ik het verkeerde pad op ging. Thuis opereer ik toch wat doelgerichter merk ik.
Met welk plan heb je een aanvraag ingediend bij het Filmfonds? Ben je hierin verder gekomen of ben je ervan afgeweken?
Ik diende een aanvraag in om onderzoek te doen voor een film over de intrinsieke drang van mensen om gedrag, taal en keuzes van anderen te kopiëren, en hoe de kracht van digitale technologie, zoals algoritmen en AI, van invloed zijn op ons zelfbeeld en geheugen. De mimetische begeerte is een eigenschap waarmee we leren en ons aan anderen verbinden, maar beïnvloedt ook verkiezingen en wakkert polarisatie aan. Ik vraag me af of overvloed, onzekerheid en angst in deze tijd dit verlangen vergroten. Het is een complex psychologisch fenomeen dat ik wil proberen filmisch te verbeelden. Een hele kluif.
In de late 19e eeuw werd in Frankrijk, met name in Parijs, geëxperimenteerd met nieuwe manieren om de psyche van patiënten te begrijpen. Zaken als hypnose, hysterie en het onderbewustzijn kwamen in beeld, en de opkomst van fotografie werd plotseling ook een factor in het visueel vastleggen van de zichtbare kant van mentale processen. Hiervan is materiaal in medische archieven te vinden, maar de bureaucratie maakte toegang soms lastig. Toch heb ik veel gevonden, ook via publicaties van andere onderzoekers. Eén van de vragen waar ik over nadacht is in hoeverre het mimetische aspect van het creatieve proces zelf onderdeel van de film moet zijn, en hoe samenwerken met anderen, zoals een componist, ook een mimetisch proces is of kan zijn.
Je hebt je verblijf afgesloten met de presentatie Leçon du jeudi: kun je er iets over vertellen?
De titel is een verwijzing naar de Leçon du Mardi van de Franse dokter Charcot, die elke dinsdag onder grote belangstelling een openbaar optreden deed met een van zijn patiënten – vaak vrouwen die leden aan ‘hysterie’. Die patiënten vertolkten met verve wat er van ze verwacht werd, wat eigenlijk ook een mimetische reactie was op de situatie, aangewakkerd door het machtsverschil tussen dokter en patiënt.
Het is ingewikkelde materie, maar ik wilde niet alleen maar studeren, maar ook maken. Toen aan het begin van mijn residency kleurexpert Marie-Odile Hubert langskwam, om in opdracht van de stichting de ‘originele’ kleuren in het Van Doesburghuis te determineren, deed ik meteen een kort interview met haar over haar werk in het huis. Ze kwam de ‘kleurentrapjes’ van de verflagen die ze eerder met een scalpel op allerlei plekken in het huis had blootgelegd, inspecteren en meten. De verf was soms wel elf lagen dik. Gemarkeerd met een rode stip zag ik het als kleine site-specific kunstwerkjes. In de biografie van Nelly van Doesburg las ik dat de vele grijstinten in het huis hun oorsprong hebben in Theo van Doesburg’s astmatische aanleg. Regelmatig reisde hij af naar Davos, waar hij urenlang de grijzen in wolkenpartijen bestudeerde. Dat wilde hij vertalen naar het huis. Als iemand die zelf ook een beetje astmatisch is, kan ik me er wel iets bij voorstellen. Ik maakte er een korte essayfilm over. Die film, getiteld Grey Matter, heb ik op de buitenkant van het huis geprojecteerd tijdens de presentatie. De link met mimese is hier een beetje abstract aanwezig: de grijze verflaag die men een eeuw lang steeds kopieert, maar die toch met de jaren verandert.
Daarnaast wilde ik dat Leçon du jeudi niet alleen over mijn eigen werk zou gaan. Ik nodigde beeldend kunstenaar Irène Schwartz uit voor een interview. Haar werk komt voor in mijn film Alreadymade waarin ik op bezoek ga bij een gipsmodelleur in Parijs, die ook ooit dodenmaskers van voornamelijk mannelijke beroemdheden produceerde. Daar stuitte ik op een levensgroot naakt van Schwartz. Ze bleek allang geen kunstenaarspraktijk meer te hebben maar deed in de jaren ’70 wel een opvallende performance. Op de trappen van het Musée d’Art Moderne toonde ze een sculptuur van haar lichaam in chocolade, die vervolgens door het publiek werd opgegeten. Dit indringende werk is goed gedocumenteerd en de mal is bewaard gebleven. Gelukkig wordt het werk van Schwartz, inmiddels 78 jaar, in Frankrijk opnieuw ontdekt en krijgt ze binnenkort een tentoonstelling in Marseille.
Kan je beschrijven wat deze residency voor je heeft betekend?
Het bleek bijvoorbeeld ook onverwacht zinvol voor andere projecten waar ik aan werk om voor langere tijd in Parijs te zijn. Ik denk omdat letterlijke en figuurlijke afstand de dingen voor mij altijd wat scherper maakt. Daarnaast is het altijd verfrissend om mensen te ontmoeten buiten je eigen kring. Mijn netwerk was ook groter dan ik dacht. Zo werd ik via een oud-student uitgenodigd voor een seminar bij de Université Paris 8. Zij doet daar promotieonderzoek op het gebied van fotografie en haar werkgroep organiseerde een reeks speciale avonden. Het was voor mij ook best bijzonder om voor die gelegenheid terug te gaan naar de fotografische oorsprong van mijn oeuvre – ik liet veel dingen zien uit het prille begin van mijn carrière, zelfs uit mijn studietijd.
Tijdens mijn verblijf ben ik mezelf op een goede manier tegengekomen. Ik kon mijn zogeheten valkuilen opeens ook zien als een mogelijkheid. Wat ik tijdens deze residency heb meegemaakt, heeft iets met me gedaan waarvan ik voel dat het ook na de periode zelf nog lang zal resoneren.
Interview door Anne Hoogewoning
Foto: Jérôme Malpel