Financiële kaders Filmfonds, Mediafonds en CoBO onderling afgestemd

Om - waar mogelijk - de voorwaarden voor aanvragers te verruimen en vereenvoudigen hebben het Nederlands Filmfonds, Mediafonds en CoBO hun financiële kaders ten aanzien van onder meer opslagen voor overhead en producers fee, te begroten posten en bevoorschotting onderling verder afgestemd. De aanpassingen zijn per 1 januari 2016 van kracht en worden door de afzonderlijke fondsen verder uitgewerkt.

Met deze stap komen de fondsen tegemoet aan de wensen vanuit omroepen en de sector om de toegenomen druk op de financiering en productie van met name documentaire, film- en dramaproducties waar mogelijk te verlichten. Deze producties zijn complex en arbeidsintensief in de uitvoering, kennen een lang en intensief productieproces en vragen dan ook een gezamenlijke inspanning van de makers, producenten, omroepen en fondsen. Ter voorkoming van financiële knelpunten gedurende de productie spannen partijen zich ook in om de bevoorschotting vanuit de fondsen en de publieke omroep op elkaar af te stemmen. Uitgangspunt is om te zorgen dat bij aanvang van een productie minimaal de helft tot 70% van de publieke financiering beschikbaar komt voor de productie.

Hieronder een overzicht van de tien belangrijkste aanpassingen en afspraken:

1)    De posten producers fee, overhead en onvoorzien worden afzonderlijk van elkaar berekend over de begrote kosten.

2)    Voor de financiering van de productiefase worden de opslagen voor producers fee en overhead gelijk getrokken tot maximaal 15%. Voor producties met een beperkt productiebudget en dus beperkte marges zoals documentaires kan, in lijn met de bestaande praktijk van het Mediafonds de post overhead met 5.000 euro verhoogd worden òf kan gekozen worden voor een verhoogd percentage tot maximaal 17,5%.

3)    Voor de ontwikkelingsfase kan een opslag voor producers fee en overhead meegenomen  worden in de grondslag voor subsidie. Voor film/drama is dat 15%, voor documentaires 17,5%.

4)    De post onvoorzien is afhankelijk van de aard van de productie, de risico’s en de omvang van het budget. In beginsel ligt het onvoorzien tussen de 5% en 10%. Onvoorzien wordt niet berekend over ontwikkelingskosten en rechten.

5)    Een eigen investering van de producent in de fase van ontwikkeling is niet langer vereist.

6)    De salariskosten van werknemers in dienst van de producent en interne kantoorkosten kunnen los van de post overhead begroot worden indien zij een operationele functie in de ontwikkeling (b.v. scriptdoctor, researcher) dan wel realisering (b.v. uitvoerend producent, publiciteitsmedewerker) van de betreffende productie vervullen.

7)    Producenten krijgen meer ruimte voor het begroten van specialisten (b.v. op gebied van social media, marketing etc.) en voor activiteiten voor het opzetten van internationale coproducties. Deze kosten kunnen worden begroot indien de productie daarom vraagt of een van de betrokken publieke financiers daarmee instemt.

8)    De begrote kosten dienen realistisch, marktconform en kostenefficiënt te zijn om in aanmerking te komen voor subsidie. Gezien bestaande scherpe budgettaire kaders worden dagtarieven niet gemaximeerd.

9)    De termijnen van bevoorschotting voor ontwikkeling worden gelijk getrokken:

80% bij aanvang werkzaamheden.
20% bij oplevering (en vaststelling van de subsidie)

Hierdoor ontstaat rust in het ontwikkelingstraject, een stadium waar nog geen zicht is op realisering of inkomsten uit exploitatie. In verband met zijn beëindiging kan het Mediafonds in voorkomende gevallen wel andere op een project toegesneden percentages hanteren.

10)    Documentaire-, film- en dramaproducties zijn complex en arbeidsintensief in de uitvoering. Ter voorkoming van financiële knelpunten gedurende de productie spannen partijen zich in om de bevoorschotting vanuit de fondsen en de publieke omroep op elkaar af te stemmen. Uitgangspunt is om te zorgen dat bij aanvang van een productie minimaal 50% tot 70% van de publieke financiering beschikbaar komt voor de productie. De fondsen leggen dat vast in de afspraken met de aanvragers c.q. producenten en doen een beroep op de NPO en omroepen om dit voorbeeld te volgen. Daarnaast creëert het Filmfonds binnen de Production Incentive de mogelijkheid om een deel van de bijdrage als voorschot beschikbaar te stellen.