Cultuurnotaperiode 2017-2020

In het kader van de nieuwe beleidsperiode 2017-2020 start op 1 december 2015 de aanvraagprocedure bij het ministerie van OCW voor de vierjaarlijkse subsidie in de culturele basisinfrastructuur (BIS). In het verlengde daarvan heeft de minister ook de nieuwe beleidskaders 2017-2020 aan de cultuurfondsen bekendgemaakt. Rekening houdend met de gestelde richtlijnen en het budgettaire kader zal het Fonds zijn beleidsplan 2017-2020 opstellen en voor 1 februari 2016 bij het ministerie indienen.

In grote lijnen zal het Fonds zijn huidige beleid in de komende periode continueren, met internationalisering, talentonwikkeling en innovatie als de beleidspijlers. In relatie tot actuele ontwikkelingen in de (inter)nationale audiovisuele sector zal het Fonds bij de toedeling van het budget aan regelingen en andere beleidsinstrumenten enkele accenten verleggen. Het Fonds neemt daarbij de resultaten van evaluaties, de inbreng via rondetafelgesprekken en input van vertegenwoordigers van de brancheverenigingen mee. Het Fonds zal, evenals in de vorige periode, alle reglementen en protocollen voor 1 december 2016 herzien, zodat deze in de nieuwe beleidsperiode per 1 januari 2017 in werking kunnen treden.

Het totaalbudget van het Fonds voor 2017-2020 zal nagenoeg identiek zijn aan dat in de huidige periode. Er worden in beperkte mate middelen aan het Fondsbudget toegevoegd maar tegelijkertijd worden ook middelen aan het budget onttrokken of slechts in beperkte mate gecontinueerd. Zo valt de extra impuls die het Fonds ontvangt voor de versterking van de platformfunctie van festivals, met 191.317 euro per jaar substantieel lager uit dan in eerste instantie verwacht als gevolg van de aangenomen Kamermotie om voor 5 extra culturele instellingen een plek in de BIS te creëren. Daarnaast wordt een deel van het budget dat het Fonds in 2013 vrijmaakte voor de meerjarige ondersteuning van filmfestivals, ad 560.000 euro, onttrokken aan het Fondsbudget voor de komende beleidsperiode om de nieuwe plek in de BIS voor een filmfestival gericht op jeugdfilm te bekostigen. Tegenover de extra jaarlijkse impuls voor talentontwikkeling van 800.000 euro voor de komende beleidsperiode staat dat de extra middelen die het Fonds hiervoor in de huidige periode ontving maar gedeeltelijk worden gecontinueerd.

Met de nieuwe stimuleringsmaatregel Netherlands Film Production Incentive die medio 2014 in werking trad is er voor de Nederlandse filmsector een stevige opvolger gevonden voor de CV-maatregel die in 2006 werd afgeschaft. In opdracht van de minister zal het Fonds zal daarom de reeds in 2012 aangekondigde afbouw van de (semi) automatische middelen voor Suppletie voortzetten ten gunste van de ondersteuning van films op grond van de selectieve regelingen. Het is daarbij van belang dat er een gezond evenwicht blijft bestaan tussen artistieke films en films gericht op een breed bioscooppubliek.

Nu het kabinet meerdere impulsen heeft gegeven om de Nederlandse filmsector te versterken, verwacht de minister dat er op korte termijn invulling kan worden gegeven aan een nieuwe overeenkomst tussen de Staat en de partijen in de exploitatieketen, waarin afspraken worden vastgelegd over de bijdrage van die partijen aan de financiering van publieksfilms.